De jaren 70 komen in beeld

Na de bijzondere gesloten internationale achtkamp van de Haagse Schaakdagen 1968, waar ik vorige keer over vertelde, herneemt mijn schaakleven zijn gewone gangetje. Ik speel braaf mee in de onderlinge van DD en ook in de KNSB-competitie, waar we in de eerste klasse spelen. De derde klasse bestond toen nog niet.
Het speeltempo bedraagt dan 2½ uur voor 40 zetten, dan nog een uur voor twintig zetten en daarna afbreken. Kom daar tegenwoordig nog eens om. Als kampioen van de HSB word ik weer uitgenodigd voor een vierkampentoernooitje, waar ik alleen tevreden ben met een duidelijk punt tegen Bert Enklaar, tegen wie ik verder nooit meer iets kon presteren. Het is ook wel vreemd te moeten constateren, dat veel tegenstanders uit die tijd inmiddels overleden zijn, zoals ook Jacob Kort, die deze vierkamp overigens won.

De zomer van 1969 schaak ik heel veel. Eerst het IBM-toernooi, waar ik in de niet bijzonder sterke groep C2 met 7½ uit 9 tweede word achter Cees Nederkoorn, die een halfje meer heeft, waardoor we beiden promoveren. Daarna doe ik mee aan het Open Kampioenschap van Nederland in Dieren. Samen met de familie Piket logeren we ergens op de Veluwe, maar het schaken gaat heel matig. Ik speel onder anderen remise met het toenmalige wonderkind Robbie Hartoch, de toen nog veel jongere Jaap Vogel, maar verlies van Ton Timman en meerdere anderen. In de tiende en laatste ronde deed zich zowaar een incident voor. Spelers, die 5 punten behaalden, kregen een beloning van 50 gulden; ik had 3½ uit 9, mijn tegenstander, wiens naam ik piëteitshalve niet zal vermelden, had er 4 en wilde graag 5 punten halen. Hij speelde echter zo slecht, dat hij binnen een vloek en een zucht verloren stond. Hij begon met me een tientje te bieden, als ik zou verliezen, welk bod na mijn weigering snel opliep tot uiteindelijk 45 gulden. Ik ben er niet op in gegaan, hetgeen me van verschillende kanten werd verweten, want die jongen had het geld hard nodig en ik had makkelijk praten met mijn goede baan. Een boeiend geval voor de ethici onder ons…

In de herfst slaag ik er niet in voor de derde achtereenvolgende keer het kampioenschap van de Haagse Schaakbond te winnen. Ik begin nog wel goed met 4 uit 5, maar verlies dan van Rex van Dijken en Fred van der Vliet, die met 7½ uit 9 overtuigend en terecht wint. Ik word gedeeld vierde met Arend van Dop en Max Viergever, ook geen onbekende bij Paul Keres.

Het jaar 1970 begint dramatisch: ik haal een half puntje uit de eerste 5 partijen en ik speel ook veel minder dan de jaren daarvoor. Met de wijsheid, die eigen is aan terugkijken, denk ik, dat ik toen veel tijd besteedde aan een avondvullend cabaret, dat ik met een aantal zeer getalenteerde leerlingen uit 5 en 6 gymnasium maakte en waar De Groene Amsterdammer nog een hele pagina aan wijdde.

In de zomer volgt weer het IBM-toernooi; de promotie naar reservegroep A leidt niet tot succes, want ik word 8e met 3½ uit 9, terwijl Jacob Kort met 6½ uit 9 de groep wint en promotie afdwingt. In september speel ik een vierkamp in Vlaardingen. Het meest opvallend zijn achteraf de notatieformulieren van de Rotterdamse Schaakbond, waarop de volgende voorgedrukte tekst staat: “Partij No….gespeeld de …….. door de Heren”.
Dat maakt het des te begrijpelijker, dat in de jaren 70 van de vorige eeuw de emancipatiestrijd oplaaide rond onder anderen abortusklinieken en Dolle Mina’s. In mijn herinnering speelde Corrie Vreeken toen ook al in Rotterdam; hoe zou zij dat formulier hebben ingevuld? Ach, misschien had ze een eigen notatieboekje. Mijn laatste partij van 1970 was tegen haar echtgenoot Piet Vreeken en die heeft er niets over gezegd, maar het notatieformulier was dan ook van de KNSB.

Of ik erg ontevreden was over mijn matige schaakprestaties in 1969 en 1970, weet ik echt niet meer, maar een feit is, dat ik in 1970 ook startte met correspondentieschaak. Dat ging uiteraard nog met ouderwetse briefkaarten en het leidde ertoe, dat ik in elk geval meer ging analyseren. In mijn aparte ordner zitten soms lange analyses en ik weet, dat dat me wel geholpen heeft. Was ik in een gewone partij makkelijk bereid om op hoop van zegen f7-f5 te spelen, in een correspondentiepartij zat je toch mooi een jaar of langer tegen zo’n zwakte op e6 aan te kijken. Ik begin meteen fanatiek: in april start ik een Nederlandse vijfkamp, in juni nog maar een, in september een zogenaamde M-groep, een zevenkamp, waarvan het winnen een plaats in het NK correspondentie-schaak oplevert en in december een Europese voorronde met 15 deelnemers uit overwegend Oost-Europese landen. Dat waren 28 partijen, zodat er elke dag wel een aantal zetten in de brievenbus rolde. Soms wordt er onbegrijpelijk slecht gespeeld. Jan Joost Lindner en ik waren bij DD begonnen met 1. b2-b4 te spelen, maar zo bont als ene meneer Van der Kaa uit Utrecht het maakte:

En dat zijn twee stukken in 9 zetten…

Met het verzenden van de zetten ging het één keer vreselijk mis. Eén tegenstander stuurde geen briefkaarten, maar adreswijzigingen en ik begreep daar niets van, want er stond nooit een nieuw adres op en zetten kon ik ook niet vinden. Toen ik hem dat schreef, legde hij uit, dat hij de adreswijzigingen gebruikte, omdat die goedkoper waren en in het telefoonnummer stonden de zetten: 5254 betekende gewoon e2-e4. Ik las dat, toen ik laat en vrolijk van een feestje thuiskwam en schreef impulsief, overmoedig en (wel)licht aangeschoten een ernstig kaartje, dat hij me in gewetensnood bracht, omdat ik bij de postale recherche werkte. Daarop volgden smartelijke excuses, want dat was nooit zijn bedoeling geweest, maar hij had het niet breed en vond correspondentieschaak zo leuk… zelden had ik zoveel spijt van mijn impulsiviteit.

P.S. In een vorige aflevering schreef ik, dat Nederlands jeugdkampioen Frans Kuijpers rond 1960 zou zijn geweigerd als lid van DD, omdat de ballotagecommissie hem te vrijpostig vond. Dat verhaal klopt; ik heb het niet bij Frans Kuijpers kunnen navragen, maar vóór de wedstrijd Paul Keres 1 – DD zat ik in de bus bij een groep Hagenaars / oudclubgenoten en daar werd het door de oudgedienden onmiddellijk bevestigd.
Recent kreeg ik het boek Frans Kuijpers, Een schakersleven, geschreven door de vaste Eindhoven-biograaf Jules Welling, in handen en daarin wordt het verhaal niet vermeld. Misschien was Frans er toch niet trots op; ik zal het hem eens vragen