Deel 2

“Hein Piet, was jij vroeger een hippie?” vroeg Jan van Eck me na de clubavond van 21 mei j.l., waarop ik ontkennend antwoordde. Integendeel, mijn huwelijk met Marijke in 1963 – inderdaad, meer dan 50 jaar geleden, hetgeen inmiddels ook passend gevierd is – betekende een van de eerste studentenhuwelijken in het eerbiedwaardige Leiden.
Het is geenszins mijn bedoeling een algemene autobiografie te schrijven, die bovendien van gelukkige mensen buitengewoon saai pleegt te worden, want ze hadden nooit een dominante vader of een alcoholische moeder, die voor een beetje sjeu zouden kunnen zorgen. Toch moet ik wel vermelden, dat het jeugdige gezin Van der Spek, inmiddels voorzien van twee dochtertjes, die inmiddels ook rond de vijftig zijn, in de loop van het jaar 1966 van Leiden naar Den Haag verhuisde, inmiddels het derde huis en er zouden er nog tien volgen. Ik was namelijk door mijn oude school gevraagd, of ik les wilde komen geven na het plotseling overlijden van een pater/docent. Toen ik dat lesgeven buitengewoon leuk bleek te vinden, ik daardoor tot mijn enorme vreugde ook niet in militaire dienst hoefde en we voor het eerst over een echt salaris en een echte flat in plaats van studentenkamertjes konden beschikken, besloten we Leiden te verlaten én LSG, hoewel ik het seizoen 1966/1967 daar nog wel extern bleef spelen. Dus meldde ik me aan bij het eerbiedwaardige DD in het even eerbiedwaardige Nationale Schaakgebouw aan de Van Speykstraat, door Bert Both in zijn verslag van de laatste wedstrijd van het eerste in het seizoen 2103/2014 zo treffend beschreven.

In deze veelbesproken jaren zestig van de vorige eeuw beschikte DD over een ballotagecommissie. De jongere lezertjes kennen dat begrip wellicht niet meer, maar het hield in, dat die commissie moest vaststellen, of iemand, die lid wilde worden, ook wel geschikt was om toegelaten te worden. Het verhaal gaat, dat mijn latere clubgenoot bij Eindhoven Frans Kuijpers, toen die in Delft was gaan studeren en al Nederlands jeugdkampioen was, door deze commissie als lid werd geweigerd, omdat hij zich in het gesprek al te vrijpostig opstelde naar de mening van de commissie. Ik heb er nooit aan gedacht om het bij “grote Frans” -in tegenstelling tot “kleine Frans” Cuijpers- na te vragen, maar dat zal ik toch eens doen.

Een vriendelijke, niet al te hippie-achtige, toen nog doorgaans met een stropdas rondlopende docent klassieke talen vormde geen enkel probleem. Ik doorbreek nu even de chronologie: deze commissie was mijn oud-school(schaak)genoot Jan Joost Lindner al jaren een doorn in het oog, maar zijn pogingen om op deze commissie actieve euthanasie toe te passen, vonden bij de meerderheid van de leden bij de jaarvergaderingen geen steun. Een aantal jaren later, toen ik een volwaardig lid was, kwamen er in de driehoofdige commissie plotseling twee vacatures, Jan Joost en ik stelden ons na ampel beraad kandidaat en werden tot onze niet geringe verbazing beiden gekozen. Daarna ging het van een leien dakje: de commissie had namelijk de regel, dat als twee van de drie leden van oordeel waren, dat een kandidaat-lid zonder ballotage-gesprek kon worden toegelaten, dat ook gebeurde en Jan Joost en ik waren het altijd daarover eens tot intense teleurstelling van het derde lid. In plaats van euthanasie werd het dus palliatieve sedatie: nadat de commissie meerdere jaren niet bij elkaar gekomen was, werd zij uiteindelijk toch maar opgeheven. Ik moest daaraan terugdenken in een wachtkamer van het ziekenhuis, waar een bridgeblad lag. Daarin werd de geschiedenis verteld van een Amsterdamse bridgeclub, waarvan alleen zeer welgestelden lid waren. Toch kwamen er veel nieuwe leden en in de vergadering van 1917 – wereldoorlog of niet, er waren natuurlijk belangrijkere zaken – werd het voorstel behandeld, dat nieuwe leden een entreegeld van 5000 gulden zouden moeten betalen, een bedrag, dat nu ongeveer 38.500 euro zou betekenen. Het voorstel werd overigens wel verworpen.

Maar terug naar het schaken: in het eerste halfjaar van 1966 waren in Leiden geen echt vermeldenswaardige zaken aan de orde; in de zomer speelde ik voor het eerst in het IBM-toernooi mee en werd met 5 uit 8 3e in groep C1, al smaakte ik het genoegen een wat jeugdiger Gerard Verholt, die met 7 uit 7 aan de leiding ging, in de laatste ronde te verslaan. In september win ik bij DD een trainingszeskamp met 3,5 uit 5 voor onder anderen de later ook in het Utrechtse schaakleven bekende Erik Olof en mag dan in de tweede groep meedoen.

Dan wordt het 1967 en lijkt het er ineens op, dat ik het schaakspel zowaar een beetje ga snappen. De oorzaak daarvan weet ik echt niet, maar wellicht heeft te maken met het feit, dat ik lesgeven absoluut niet vermoeiend of zwaar vind, dat ik aan het afstuderen ben (september 1967) en toch nog veel energie over heb. Ja jongelui, in die tijd was in het begin van het zevende jaar afstuderen snel: met vier jaar voor het kandidaats- en ruim twee jaar voor het doctoraal eindigde je in de voorste gelederen. Een geheel andere verklaring zou overigens kunnen zijn, dat ik in de loop van 1967 een match van 1000 vijf-minutenpartijtjes heb gespeeld met Maarten Etmans, evenmin een onbekende in Utrechtse dreven. Het was natuurlijk een belachelijk idee, maar we hebben hem uitgespeeld met de volgende tussenstanden:

Etmans Van der Spek
58 42 100 partijen
115 85 200 partijen
166 134 300 partijen
213½ 186½ 400 partijen
263½ 236½ 500 partijen
329 291 600 partijen
377 323 700 partijen
431½ 368½ 800 partijen
479 421 900 partijen
526 474 1000 partijen

Er werden uiteraard veel standaardopmerkingen gemaakt, waarvan één me is bijgebleven: als Maarten met h7-h6 mijn loper op g5 tot een verklaring wilde dwingen, zei hij altijd: “Ga weg, engerd, ik ben een fatsoenlijk meisje”. Onze kinderen noemden hem altijd “Onkel Et” en als ze een opmerking maakten over zijn toen al royale buikomvang was het vaste antwoord: “Daar zitten allemaal kleine Onkel Etjes in”.

Ik win de tweede groep in de interne van DD en plaats me daarmee voor de kampioensgroep. Er waren wel behoorlijk wat verschillen met nu in zo’n interne competitie. De data, waarop je moest spelen, waren vastgelegd, er bestonden nog geen digitale klokken, niemand had nog een elo-rating en partijen werden gewoon afgebroken en soms weken of maanden later uitgespeeld. In de KNSB-competitie was het tempo 50 zetten in 2½ uur, gevolgd door 20 zetten in één uur, waarna werd afgebroken. In toernooien, waar voor het uitspelen van afgebroken partijen de tijd wel eens ontbrak, was vaak een arbitragecommissie, die het resultaat bindend vaststelde. Maar ik zal niet als een oude man gaan klagen over de schade, die de computers allemaal hebben aangericht; ik citeer slechts Freek de Jonge, die ergens te horen krijgt: “Helaas meneer, de computer kan het niet verwerken”, waarop hij antwoordt: “Verdorie, het kreng krijgt nog emoties ook”.

In september/oktober –precies ten tijde van mijn afstuderen- win ik tot mijn eigen verbazing het kampioenschap van de Haagse Schaakbond, een gesloten tienkamp, met de perfecte score van 7½ uit 9 zonder één nederlaag. Hoe sterk de bezetting was, is voor de geboorte van het ELO-systeem moeilijk te zeggen, maar Fred van der Vliet werd laatste met 2 uit 9, al was ook hij uiteraard nog een heel stuk jonger. Mijn grootste concurrent was WJP Vink van de Haagse Christelijke Schaakvereniging, die ik in de onderlinge partij versloeg; mijn clubgenoot Bernard Schendstok werd derde.

In november organiseert de toentertijd zeer actieve HSB de Haagse Schaakdagen, waarbij ik als kampioen in de hoofdgroep mocht spelen. Deelnemers waren behalve vier Haagse spelers de toen bijna 16-jarige Jan Timman en de bekende Dordtse schaker ir. HJ van Donk. Mijn eerste partij met Jan Timman was een soepele remise met zwart. Jan Timman, Bernard Schendstok en de korte tijd later naar Israël geëmigreerde Mickey Rosenthal werden gedeeld eerste met 3½ uit 5; ik kwam daar een half punt achter.
DD wilde kennelijk niet achterblijven en organiseerde een invitatie-toernooi volgens de formule “vier DD’ers tegen vier goede spelers van buiten”, te weten Jacob Kort (LSG), J.Tuk (Moerwijk), John van Baarle (Rotterdam) en de bovengenoemde Mickey Rosenthal. Het werd voor de DD’ers een harde les; alleen Wim Stork haalde 2½ uit 4 en ik bleef opnieuw een half puntje achter op Bernard Schendstok, die tenminste nog één halfje haalde.
Was ik moe geschaakt? Ik zou het niet weten, maar in de laatste vijf weken van 1967 speelde ik nog maar één partij met DD tegen VHS uit Haarlem. Aan bord 5 trof ik de theoreticus A.C. van der Tak, die wit had. Het werd een vrolijk potje:

Het roerige jaar 1968 komt wellicht een volgende keer aan de orde.